Kort verhaal Tove Alsterdal: ‘De hereniging’

Dertig jaar nadat ze op de middelbare school een vriendinnenclubje vormden, komen vier vrouwen bij elkaar in een huisje aan het meer waar ooit hun klasgenootje verdween. Maar wie heeft hen eigenlijk bij elkaar gebracht?

Dit korte verhaal verscheen eerder in Scandi, het gratis magazine bij de Maand van de Scandinavische Thriller. Lees Scandi online of vraag ernaar bij de boekhandel.

*

Ze stapt uit de auto en loopt langzaam omlaag naar het meer. Ze wordt ernaartoe getrokken. Het voetpad verdwijnt tussen een paar berken en wordt een bospaadje. Het duizelingwekkende gevoel dat de tijd vliegt, terug naar toen.

Het zwarte water.

Het is hetzelfde meer, dezelfde tijd van het jaar als toen. Vlak voor midzomer, als de warmte nog niet in de grond is getrokken en het groen nog teer en jong is. Het water even donker en verleidelijk als in de nachtmerries die ze sinds die tijd heeft. Niet altijd, als ze eerlijk moet zijn. Er zijn weken geweest, jaren zelfs, dat ze rustig kon slapen, toen Lisette heel klein was, bijvoorbeeld.

‘Jee zeg, wat is dat lang geleden. Marina! Piiia!’ ‘Agge!’

Er staan twee andere auto’s naast de hare geparkeerd. De vrouwen gillen zo hard dat de vogels waar het meer om bekendstaat, opvliegen uit nat grasland en riet, en dieper het bos in beschutting zoeken.

Ze tovert een glimlach op haar gezicht en loopt hun tegemoet.

‘Jojo, ben jij het echt?’ Marina rent de laatste stappen en slaat haar armen om Johanna heen. Ze bestudeert haar gezicht en schuift een lok opzij. ‘Shit, je bent nog precies dezelfde. Je bent geen spat veranderd.’ Ze draait zich om naar de anderen, die manden en tassen met proviand uit de auto’s halen.

‘Hebben jullie gezien wie hier is? Johanna!’

Ze lachen en roepen en algauw omhelzen ze elkaar, ze knuffelen en zijn het eens: ze zijn geen van allen veranderd.

Wat fantastisch om elkaar weer te zien! Na dertig jaar! Je lijkt geen dag ouder dan vijfentwintig! En jij dan! Ze barsten om alles in schaterlachen uit. En als ze het kleine scoutinghuisje in tuimelen, denkt ze: wat een geluk dat ik toch ja heb gezegd. Dat ik niet heb toegegeven aan de neiging me te verstoppen. Er bestaat een hartelijkheid tussen hen die ze was vergeten. Ze kennen elkaar al van kleins af aan, en al snel is het net alsof er geen dertig jaar zijn verstreken. Dat gevoel heeft ze als ze staan te bakkeleien over wie er de vorige keer in de bovenbedden hadden geslapen.

Johanna staat naar de anderen te kijken en vraagt zich af wie er eigenlijk op het idee van een reünie was gekomen, ze was ervan uitgegaan dat het Marina was. Haar ouders waren iets binnen de scoutingorganisatie waar de huisjes van zijn. Marina, met haar bijna zwarte haar, dat ze nu waarschijnlijk verft, met alleen hier en daar een paar grijze haren, die haar er paradoxaal
genoeg jonger uit laten zien. Bijna nog mooier dan Johanna zich herinnert.

‘Heb jij geen slaapzak bij je, Jojo?’ vraagt Agge als de anderen hun overnachtingsspullen op de stapelbedden gooien.
‘Nee, ik weet niet of ik wel kan…’ Ze voelt hun blikken. Het is lang geleden dat iemand haar Jojo noemde. ‘Ik moet morgen weer vroeg op en…’

‘Wat bedoel je, blijf je niet slapen? Dat was toch het hele idee?’ Agges zware stem, die altijd zo vanzelfsprekend klonk. Ze is minstens dertig kilo zwaarder geworden en nog steeds iemand die je niet tegenspreekt. ‘Ik heb dekens in de auto,’ zegt ze, ‘dat komt wel goed.’
Johanna glimlacht en knikt. Waarom heeft ze hier ja op gezegd? Haar eerste reactie toen ze de uitnodiging op internet zag, was een gillend NEE. En toch. Alleen al het feit dat iemand haar uitnodigde, nog wist wie ze was.

Pia heeft het koffiezetapparaat al aangezet. Zonder veel drukte te maken komt ze toch in het middelpunt te staan, net als vroeger, ze is de knapste van hen. Fijne rimpeltjes rond haar ogen als ze lacht.

‘Nee, hou op zeg, nu drinken we champagne!’ zegt Agge.

En de kurk knalt tegen het plafond.


Het vuur brandt, een echt kampvuur. Hun gezichten gloeien. De schemering van de midzomertijd is blauw en transparant. Ze slaan allemaal een slaapzak om zich heen. Johanna weet van zichzelf dat ze te snel en te veel drinkt.

Het was Marina’s idee om hun aller successen te vieren, op het rijtje af. Ze hebben geproost op Marina’s nieuwe leidinggevende functie bij het uitzendbureau en op Pia’s nieuwe vlam, die haar ten huwelijk heeft gevraagd, driemaal is scheepsrecht. Op Marina die aan de tjejmil, een hardloopwedstrijd over tien kilometer, heeft meegedaan en op Agge die zich heeft omgeschoold tot hovenier en eindelijk doet waar ze altijd al van droomde! Proost! Op onze dromen! Marina is achttien jaar getrouwd en houdt nog steeds van haar man – proost! – en Pia heeft na haar zwangerschappen een borstvergroting genomen – proost! Op de borstvergroting! – en op hun kinderen, die het allemaal zo goed doen op school – proost, proost, proost! – en in het bijzonder op Agges oudste, die is geselecteerd voor het nationale juniorenzwemteam.

‘En jij dan, kom op, Jojo!’

Ze weet dat het een vergissing was om hier te komen. Haar leven biedt niets waar ze op een reünie mee kan aankomen, dus stelt ze voor een toost uit te brengen op haar dochter, Lisette, die meteen na de middelbare school een baan heeft gekregen. Daarna verontschuldigt ze zich en zegt dat ze even het bos in moet.

Tegenwoordig zijn er wc’s achter het huisje, maar ze doet zoals ze toen deden en hurkt achter een spar. Er spat wat urine op haar schoen. Tussen de takken door ziet ze het vuur langzaam uitdoven en de silhouetten van de middelbare dames eromheen vervagen.

Waar zou ze verder nog op kunnen drinken? Op het feit dat ze gescheiden is en dat ze geen nieuwe man kan vinden? Dat het stil is in huis nu Lisette is uitgevlogen? Het lukt haar niet eens om te gaan internetdaten, want dan voelt ze zich net de laatste passagier in de nachtbus naar huis vanuit de stad, waar iedereen in zijn wanhoop neemt wat er aangeboden wordt. Ze weet dat duizenden mensen de liefde vinden op die sites, dus het ligt aan haar. Alsof ze de nachtbus heeft gemist en in de kou blijft staan. Proost! Ze slaapt slecht, want er komen weer bezuinigingen aan en niemand weet wie er weg zullen moeten. En op het lichaam dat in verval raakt, terwijl de tijd begint te
dringen, proost!

Als ze haar broek optrekt, hoort ze een geluid. Krakende takken. Het komt bij het meer vandaan. Ze
ademt zacht en blijft doodstil staan met haar handen aan de rits. Ze meent een schaduw te ontwaren tussen de sparren, een verandering in het vage licht.

Een stem. En ze voelt een ijzige kou in haar binnenste.

‘Hebben jullie nog wat eten voor mij overgelaten?’

Waar de sparren ophouden en het strand begint, staat een gestalte. Dun en klein. Het blonde haar vol knopen. De groene trui.

‘Wat is er?’ vraagt Lilian en ze lacht. Haar gezicht is onnatuurlijk bleek. Dat was het in die tijd ook al, toen ze speelden met de dood. ‘Had je niet verwacht dat ik zou komen?’

Ik droom, denkt Johanna, ik ben dronkener dan ik denk. Het kan niet dezelfde trui zijn!

‘Wil je niet met me praten?’ De gestalte zet een paar stappen in haar richting, het hoofd een beetje schuin. ‘En ik maar denken dat we vriendinnen waren.’

Johanna deinst terug.

‘Ik ga weer naar de anderen toe,’ zegt ze en ze loopt op een holletje door het bos, een tak schramt haar gezicht.

Ze draait zich pas om als ze weer bij het vuur zit. Dan staart ze naar het bos, zo lang dat de anderen zich ook wel moeten omdraaien.

‘Godallemachtig…’ Marina gaat staan. ‘Lilian! Ik wist niet eens dat… Wie heeft Lilian weten te vinden?  Waarom heb je niets gezegd?’

Johanna heeft niet eens door dat de vraag aan haar gericht is. Ze ziet de vrouw dichterbij komen. Er speelt een glimlach om haar lippen. De anderen zijn allemaal gaan staan. Johanna voelt dat zij ook overeind moet komen.

Lilians lichaam is koel en dun in haar armen. Een snelle omhelzing. Een duisternis die invalt vanaf het
meer en het wordt nacht.

‘Goh, wat leuk je te zien.’

‘Wat is er van je geworden? Je was toch al verdwenen voordat we allemaal naar een andere middelbare school gingen?’

In de verte hoort ze hen proosten op Lilian, alsof het geluid uit een glazen pot komt. Nu pas ziet ze de anderen echt. Het is niet waar dat ze niet zijn veranderd, dat verbeeldden ze zich maar. Ze zijn ouder geworden, hun huid heeft zijn veerkracht verloren en hangt slap onder hun kin. Zelfs in Marina’s ooit zo perfecte gezicht hebben de jaren rimpels getrokken. Je ziet duidelijk dat ze allemaal hun haar verven. Alleen Lilian is nog jong, ze heeft een volkomen gladde huid en nog dezelfde merkwaardige en gevaarlijke schoonheid als toen. En die lichtelijk schele ogen.

‘Mijn god, je bent geen dag ouder geworden!’ roept Agge. ‘Daar drinken we op!’

Johanna ziet hun monden bewegen en lachen. Lilians gezicht is zo bleek dat het licht geeft, hoewel de gloed is gedoofd en alles koud is.

Zien ze niet dat er iets niet klopt?

Lilian, die korte tijd haar beste vriendin was geweest. De onbereikbare die ze onvoorstelbaar genoeg bereikte, het grote geluk om te worden gezien en mee te mogen doen. Lilian, die een avontuur en een middelpunt was, iemand om wie de maan, de aarde en de jongens heen cirkelden, terwijl Johanna een onnozel planeetje aan de rand van het zonnestelsel was. Ze had vaag begrepen dat Lilian haar naast zich nodig had, of iemand, wie dan ook. Johanna was de concurrentie nooit aangegaan, ze had gewoon meegedaan.

De eerste sigaret, de eerste keer dronken van bier en aspirine, de spelletjes in de hut waarbij het er meestal op neerkwam dat Johanna buiten stond te wachten terwijl Lilian binnen zat te tongen, maar toch. Ze mocht na afloop in haar geheimen delen.
Johanna voelt de schreeuw in zich groeien, die wil eruit, maar ze mag niet gillen, dat gaat niet. Ze zwijgt al te lang. Al dertig jaar.

Ze wil het tegen de anderen zeggen: zien jullie het niet, snappen jullie het niet?

Ze knijpt hard in haar arm en dat doet pijn. Het is geen nachtmerrie, dit gebeurt echt. Ze moet het recht voor zich uit denken als ze in Lilians bleekblauwe, ietwat schele ogen kijkt. Ze stuurt de woorden, zwijgend, over het gedoofde vuur heen dat nu in as is veranderd.

Je bent er niet. Je bent dood.

En dan kan ze niet langer blijven zitten, want ze wordt de bleekblauwe blik in gezogen en rilt. Ze moet opstaan en naar het meer lopen.

Er bestaat een verhaal over het Övermeer. Heb je dat weleens gehoord?


Het is de stem van Lilian, maar is het toen of nu? Ze hebben langs het water gewandeld, weg van de anderen, want Lilian is de eeuwige concurrentie tussen Marina en Pia beu. Johanna bedenkt dat Lilian zelf ook altijd iedereen de baas wil zijn, maar dat zegt ze niet. Ze zijn zestien en ze blijven het hele weekend in het huisje slapen. Morgen komen er een paar jongens die Marina heeft uitgenodigd, dat wordt feest.


Kom, we gaan zwemmen. Kom op nou! We moeten kijken of het waar is wat over het Övermeer wordt gezegd. Dat er daar ergens een bodemloze plek is. Daar leven de verdronkenen. Als je diep genoeg duikt, kun je door hun kronkelende haren worden gevangen.

Het zijn de vrijwillig gestorvenen die geen rust krijgen daarbeneden, de zelfmoordenaars, en het zijn allemaal vrouwen, ongelukkig en wanhopig. Mannen schieten zichzelf dood, maar vrouwen lopen het meer in, zo is het altijd geweest. Je voelt hun haren onder je voeten als je daar helemaal heen durft te zwemmen.

Lilian smijt haar kleren in het hoge gras en waadt het meer in. Johanna moet haar nadoen. Alles wat ze met elkaar delen krijgt betekenis en hoe gevaarlijker het lijkt, des te intenser leef je, dat heeft Lilian haar geleerd. Ze spelen vaak met de dood, ze wurgen zichzelf met een sjaal totdat ze buiten westen raken. Het is een soort verslaving geworden, ze moeten het elke dag doen. Johanna raakt in paniek als ze de strop aantrekt, toch blijft ze trekken totdat de lucht verdwijnt, haar slapen beginnen te bonzen en ze het gevoel krijgt dat haar ogen uit hun kassen puilen, ze ziet sterretjes, de geluiden van buiten verdwijnen en dan wordt het zwart. Dat soort dingen. Geen probleem, als je maar geen knoop in de sjaal maakt, heeft Lilian haar verzekerd, dan schiet die vanzelf los als je flauwvalt. Voordat je sterft.

In het leven van alle mensen komt een moment waarop ze besluiten of ze met de levenden meegaan of met de doden. Voor ons is dat moment nu aangebroken. Daarna verstijven we en is het te laat.

Ze ziet dat Lilian begint te crawlen en wegzwemt. Ze komen bij het midden van het meer. Het koele water dat de huid streelt met zijn naakte aanwezigheid. Ze bedenkt dat er zomaar een man op de oever kan staan die hen ziet, en dat is een opwindend gevoel, ietwat gênant ook, als ze denkt aan Lilian naakt onder het wateroppervlak een meter of tien voor haar, en aan de zwemslagen die krachtig zijn voor zo’n lief, slank meisje, maar dat is het niet. Niets seksueels dus, tussen hen, dat houdt ze zichzelf de hele tijd voor, ook al heeft ze dat gevoel soms wel, als Lilian in haar armen kruipt op de bank of ergens anders. Als een jong hondje. Zo is Lilian, gevaar schrikt haar niet af. Ze zijn eenzaam onder de hemel, in de nacht, en de rest van de wereld kan hun gestolen worden.

We moeten iets weten over de dood om te kunnen kiezen, toch? Anders overkomt die ons zomaar. Ze ziet niet wanneer het gebeurt. Ze ziet alleen dat de waterspiegel opeens glad is. Je houdt me voor de gek, denkt Johanna, en ze zwemt naar de plek waar Lilians blonde hoofd zonet nog te zien was. Ze zwemt rondjes, waar ben je in vredesnaam? Ze duikt onder water om te kijken waar ze is, maar het is er donker en ondoordringbaar. Ze ziet alleen water en water kun je niet zien, ze raakt gedesoriënteerd, weet niet meer wat onder of boven is en raakt in paniek. Dan voelt ze het. Er beweegt iets bij haar voeten, het slingert zich om haar benen. Ze wordt door angst overmand en ze moet naar boven, naar het oppervlak, ze trapt en raakt iets beneden, daar is echt iets, en ze ziet alle beelden in haar hoofd van de doden daarbeneden, en de palingen die uit oogkassen kruipen, en er zit nog steeds iets om haar voeten, het trekt aan haar en ze trapt wild en maait met haar armen, omhoog, omhoog, en ze heeft geen lucht, ze moet daar weg. Ze haalt pas weer adem als ze bij het strand is. Ze denkt pas weer als ze uit het water is. Het meer ligt er glad en zwart bij. Ze rilt zo erg dat het haar een eeuwigheid kost om zich aan te kleden. Naast haar liggen Lilians kleren, rondom in het gras.

De tijd tikte gewoon door, of hij was stil blijven staan. Ten slotte moest ze wel opstaan om terug te gaan.

‘Hebben jullie gezwommen? Waar is Lilian?’

Johanna wist niet waar de leugen vandaan kwam. Ze had eerlijk willen vertellen dat Lilian het meer op was gezwommen en was verdwenen. Maar dan moet ze over dat andere liegen. Dat ze daar zelf is geweest. Over de doden in het water en haar eigen paniek, hoe vertel je zoiets? Over het gevoel onder haar voet toen die iets zachts raakte, wat tegelijkertijd hard was, en ten slotte de gedachte die ze niet af durft te maken: dat het Lilians gezicht was. Dat Lilian haar alleen maar bang wilde maken, dat alles deel was geweest van een plan, de verhalen over de doden en hun belachelijke haren. Lilian, die altijd trainde om het langst onder water te zwemmen in het zwembad.

‘Ze is gewoon weggegaan, ik weet het niet. Misschien was ze ergens boos om.’

De volgende ochtend was ze teruggegaan naar de plek en had ze Lilians kleren opgeraapt en begraven. Ze had gehuild en gegraven. Het was te laat voor de waarheid. Na de zomer zaten ze niet meer bij elkaar in de klas en werden de banden verbroken. Marina ging naar een school in de stad, de anderen kozen verschillende profielen. Johanna stopte er na een halfjaar mee en maakte haar opleiding af aan een volkshogeschool in Ångermanland. Lilian had een vader die stevig dronk en haar verdwijning werd nooit goed onderzocht. De politie was een keer vragen komen stellen, en Johanna had moeten beschrijven hoe Lilian gekleed was toen ze ervandoor ging: de zeegroene angoratrui (gejat bij Hennes & Mauritz). Ze dachten dat ze was weggelopen (daar had ze wel redenen voor).

De boom die wat eenzaam aan de rand van een bosschage staat. Johanna meent de plek te herkennen en begint met haar handen aan de meerzijde van de stam te graven. Kan er na dertig jaar in de grond nog iets van kledingstof en angoragaren over zijn, of vergaat dat? En gymschoenen? Ze graaft, er ligt niets. Is het de verkeerde plaats? Misschien het verkeerde strandje, er staan nieuwe bomen, ze heeft geen idee in hoeverre een bos in dertig jaar kan veranderen. Lilian staat aan de bosrand naar haar te kijken. Johanna durft zich niet om te draaien, maar ze voelt haar aanwezigheid als een kou in haar nek.

We hadden een afspraak. Een afspraak over geheimen en verraad, weet je dat niet meer, Johanna?

Ze heeft aarde onder haar nagels en tot over haar ellebogen. Daarom, maakt ze zichzelf wijs, loopt ze naar het water en schopt ze haar schoenen uit. Als ze zich bukt om de aarde af te spoelen, ziet ze zichzelf in een vluchtige weerspiegeling, haar volwassen zelf. Ze is altijd zestien gebleven, maar er zijn nieuwe leeftijden aan toegevoegd, als lagen van een taart. Dan verdwijnt de maan achter een wolk en ze is weg. Nee, niet weg, daar is ze: een eind verder het meer op, in het diepe gedeelte. Met haar kleren aan zwemt ze naar het midden van het meer, dat moet ze. Ze zwemt met haar ogen dicht en zoekt in haar lichaam naar kracht, maar stuit alleen op de last van de doornatte kleren en het vet op haar buik, ze voelt haar eigen zwaarte. Midden op het meer stopt ze, ze begint te watertrappelen en kijkt om zich heen. Hier was het, precies op deze plek. Ze duikt omlaag, zo diep ze kan, speurt en ziet niets, tast rond met haar handen en krijgt iets te pakken. Iets wat zacht is en kronkelt en ze heeft het idee dat ze gezang en gefluister hoort. In het leven van alle mensen komt een moment… met de levenden meegaan of met de doden… Nu is het overal om haar heen, het verstrikt haar in zijn draden, totdat ze vastzit en de fluisterende duisternis in wordt getrokken, waar geen licht zal zijn en geen angst om mee wakker te worden, alleen een stil gezang, ziet de dood er zo uit? Ze laat zich zinken. Laat me los, wil ze roepen, ik wil niet dood. Er klinkt gefluister: Noem je dat een leven? Dat leven dat jij denkt te hebben? Nu heeft ze geen lucht meer over, en overal om zich heen ziet ze lichtende puntjes. Is het Lilians gezicht dat ze daar in de diepte ziet? Of is het iemand anders, nee, ze ziet zichzelf, ze is weer jong, en ze doet alles om mee te  mogen doen. Nee, wil ze gillen, nee, ik wil niet meer,  maar ze heeft geen lucht en er zijn geen geluiden in  het water. Ze schopt, grijpt het haar vast dat zich om  haar benen slingert, rukt het los, stijgt op naar het  oppervlak en daar is de lucht, helder en koud. Ze zuigt het diep in haar longen, datgene wat leven,  kracht, en het gevoel van werkelijkheid is. Wat doet ze  daar in godsnaam, midden op het meer? Buiten adem  en aan het eind van haar krachten zwemt ze zo goed  als ze kan naar de kant. Ze maakt haar vingers los van  iets wat ze in haar hand heeft. Lisette, denkt ze. Lisette heeft me nodig, ook al doet  ze alsof dat niet zo is.

‘Ben je wel helemaal lekker, om met kleren aan te  gaan zwemmen?’

Pia is bezig haar make-up te verwijderen. Ze smeert  zich in met dure crèmes. Agge ligt in het bovenbed te  snurken. Johanna kijkt om zich heen in het scoutinghuisje. Nergens een zeegroene trui.

‘Ik dacht aan Lilian,’ zegt ze voorzichtig. ‘Ik had het  idee dat ik haar daar zag.’

‘Jij moet stevig hebben gedronken. Niemand heeft  nog contact met haar gehad nadat ze hiervandaan was weggelopen. Ik heb trouwens nooit begrepen waarom jij met haar omging. Wil je thee?’

Johanna vindt haar sjaal en droogt haar nog druipnatte haar ermee af. Ze gaan met z’n allen bij elkaar zitten met een kop thee. Zeegras, denkt ze. Er is daar  alleen zeegras of een ander soort waterplant. Ze is  blij dat haar hoofd niet meer tolt. Ze heeft haar natte kleren uitgetrokken en droge van de anderen mogen  lenen.

‘Wat bedoel je, waarom ik met Lilian omging?’

‘Je was cool, je was slim,’ zegt Pia.

‘Je hoefde nooit te  bluffen of je anders voor te doen. Ik was altijd zo onder de indruk van je. En toen liet je haar misbruik van  je maken.’

Johanna staart van de een naar de ander. Een vluchtig  gevoel van zichtbaar zijn, alsof ze duidelijkere contouren heeft gekregen. Zagen ze haar echt zo? Ze haalt een van Agges dekens en slaat die om zich  heen.

‘Weten jullie, toen we bij het vuur zaten…’ begint ze,  ‘…had ik het idee dat ik niets had om mee te showen. Ik bedoel, mijn leven is… het is oké, maar meer ook  niet.’

‘Is dat niet genoeg?’

‘Proost,’ zegt Marina en ze houdt haar theekopje omhoog.

Dan komen de tranen, ze wellen brandend op. Ze  veegt ze weg en snottert, maar ze blijven maar komen.  Opeens kan ze zich niet meer herinneren wat er zo  verkeerd is aan haar leven. En ze bedenkt dat het allemaal maar verbeelding was, nachtmerries, ze weet dat  het niet goed voor haar is om te veel te drinken. Pia slaat een arm om haar heen en het huilen wordt minder. Terwijl het buiten licht wordt, begint Marina  over haar onzekerheid, de angst dat ze zullen ontdekken wat een waardeloze chef ze is, en Pia vertelt dat ze  diep in haar hart niet weet of ze echt van haar nieuwe  man houdt. Uiteindelijk vallen ze in slaap, ieder in  haar eigen bed. De volgende ochtend nemen ze voor het huisje afscheid van elkaar.

‘Bedankt dat je dit hebt georganiseerd,’ zegt Johanna  als ze Marina een knuffel geeft. De zon staat al hoog  en in het ochtendlicht lijken de spoken van de nacht  zonder meer kinderachtig.

‘Wat bedoel je? Jíj hebt ons uitgenodigd.’

Marina wisselt een blik van verstandhouding met de  anderen.

‘We hadden alle drie onze bedenkingen, maar toen  dachten we, hallo, een weekendje weg van man en  kinderen, waarom niet?’

De enkele nevelsluiers die na de nacht nog zijn blijven  hangen, trekken weg over het meer. Marina houdt  haar telefoon omhoog.

‘Hier staat duidelijk dat jij de groep hebt aangemaakt.  Gaat het wel goed met je?’

Johanna rukt de mobiel uit Marina’s hand. Ze herkent de Facebookpagina ‘Terug naar het Övermeer’. Bovenaan in de hoek staat inderdaad dat de  uitnodiging van Johanna afkomstig is.

Het is alsof ze het water van het Övermeer weer  proeft. Een prikkend gevoel in haar wangen, een  op-en-neergaande onwerkelijkheid.

Ze had al een halfjaar niet meer op Facebook gekeken. Ze wist niet waar ze een account voor nodig had,  maar wilde ook niet overal buiten staan. Toen de uitnodiging in haar inbox viel, had er al veel langer dan  een halfjaar niemand meer contact met haar  opgenomen.

Ze heeft geen gevoel meer in haar hand als ze de mobiel teruggeeft.

‘Dit moeten we vaker doen,’ zegt Agge. ‘Dezelfde tijd  volgend jaar?’

‘Doen we.’

Als de anderen weg zijn, blijft Johanna nog even  staan. Ze herinnert zich een pluk haar die tussen haar  vingers was blijven zitten. Het meer heeft een bleekblauwe tint gekregen. Het is zo windstil dat de weerspiegeling van de bomen in het water even echt is als  het bos eromheen.

‘Er bestaat nog een ander verhaal over het Övermeer,’  zegt ze langzaam, recht voor zich uit. ‘Heb je dat weleens gehoord? Volgens mij gaat het over  mensen die ondanks alles proberen te leven.’

Net voordat ze in haar auto wil stappen, voelt ze een  plotselinge kou in haar nek. Een windvlaag die over  haar wang kruipt, een haastige streling. En er beweegt geen blad. 

TOVE ALSTERDAL (Malmö, 1960) groeide op in het noorden van Zweden. Ze werkte enkele jaren in het psychiatrische ziekenhuis Beckomberga, en maakte daarna carrière als journalist. Stormval is haar zesde thriller, waarvoor ze de Glass Key Award won, de onderscheiding voor beste Scandinavische thriller.

Scandi