Kintbury, maart 1840
‘Miss Austen.’ De stem kwam vanachter haar. ‘Neemt u me niet kwalijk.’ Ze draaide zich om. ‘Ik wist niet dat u hier was.’ Het lukte Cassandra te glimlachen, maar ze bleef staan op de stoep van de pastorie. Ze zou heel graag wat meer animo laten blijken – ergens diep in zich voelde ze de vroegere, vertrouwde energie opborrelen – maar ze was gewoon te moe om in beweging te komen. Haar oude botten waren door elkaar geschud tijdens de rit in het rijtuig van haar huis in Chawton en de kille rivierwind drong door tot in haar gewrichten. Ze stond naast haar bagage en keek toe hoe Isabella naderbij kwam.
‘Ik moest naar de consistoriekamer,’ riep Isabella, terwijl ze van het kerkhof kwam. Ze was altijd een kleine, kleurloze verschijning geweest en droeg nu uiteraard – arme ziel – slecht passend zwart dat het er niet beter op maakte. ‘Er is nog steeds van alles…’ Ze bewoog als een schim tegen de achtergrond van een met sleutelbloemen bezaaid groen talud. ‘Van alles te doen.’ Het enige opmerkelijke aan haar was de jachthond die naast haar liep. En terwijl haar stem een en al verontschuldiging was, was haar tred opmerkelijk ongehaast. Zelfs Pyramus, die nu over de kiezels kwam aanlopen, was, met zijn slepende poten, een toonbeeld van tegenzin.
Cassandra vermoedde dat ze niet welkom was, en mocht dat het geval zijn, dan had ze dat alleen aan zichzelf te wijten. Een alleenstaande vrouw diende niet langer te leven dan ze tot nut was. Dat was gewoon onopgevoed. Ze was onuitgenodigd gekomen; Isabella zat in een lastige situatie: het was allemaal nogal penibel, maar heel begrijpelijk. Van de hond had ze echter wel wat enthousiasme verwacht.